Over introjecten

Als kind leren we te introjecteren; tot ons te nemen wat ons wordt aangeboden. Een baby drinkt bij zijn moeder of uit een fles en neemt het aangebodene tot zich. Pas op latere leeftijd gaat een baby tegen sputteren en ontdekken dat hij hier invloed op kan uitoefenen. Afhankelijk van de situatie zal dit de ene keer meer effect hebben dan de andere en zo kan er een patroon ontstaan.

Hij had geleerd: afspraak is afspraak en daar houd je je dus aan. Hij vertrok een beetje op het nippertje onderweg naar onze afspraak in de wetenschap nog geld te moeten halen. Eenmaal bij het postkantoor aangekomen bleek dit al gesloten te zijn. Snel naar een andere locatie. Helaas, deze bleek niet meer te bestaan. Vervolgens naar een winkel met pinautomaat die niet het juiste bedrag kon geven. Uiteindelijk hijgend nog net op tijd ( ook dat hoort) gearriveerd op de afspraak.

Ik was verbaasd, hoorde het relaas aan en bemerkte dat ik de inspanning kon waarderen maar de stress die de inspanning hem ook kostte niet gezond vond. Pas toen ik daarbij stilstond en hem daar van gewaar liet worden, ontdekte hij hoe hij eraan toe was. Zijn ingeslikte norm werkte hem wel vaker tegen. Wellicht had hij ook een andere keuze kunnen maken, maar die was nog niet eerder bij hem opgekomen.

Over recht op verdriet

Het moet nu maar eens over zijn. Ik ben er al 20 jaar mee bezig en ik wil dat niet meer. Ik ben vooral verdrietig als ik alleen ben, als ik werk en druk ben heb ik er geen last van. Ik wil verder en vind dat ik vastzit. In de tussentijd vertelt ze dat ze sinds negen maanden op zichzelf woont. Ze vindt zichzelf een zeur en het valt vergeleken met andere mensen die iemand hebben verloren best wel mee.

Ik merk dat haar verhaal me raakt en dat zij het bagatelliseert en dat ze erg oordeelt over zich zelf. Ze vergelijkt haar verdriet met dat van anderen en dan vindt ze dat ze zich niet zo moet aanstellen. Weg van het verdriet en weer verder.

Zo streng en hard voor zichzelf. Ik zeg: “Van mij mag jij ook verdrietig zijn.” Ze kijkt me met grote ogen aan. Het blijft even stil en dan zegt ze. “Ik merk nu pas dat ik zo doe. Ik heb nooit gedacht dat ik ook verdrietig mag zijn. Ik heb ook best wat meegemaakt.”

“Ja,” zeg ik,” Jij hebt ook best wat meegemaakt.“

Over inhouden en wegcijferen

“Samen met mijn zoon op vakantie? Nee, dat zou voor mij niet kloppen dan lijkt het alsof ik mijn partner dat niet gun.”

“Ik zeg vaak niets omdat ik moe ben van het nee zeggen en als ik nee zeg, dan moet ik het uitleggen. Ik ben ermee gestopt en laat het dus maar toe.”

Wanneer afspraken in een relatie niet goed meer lopen en je gaat je inhouden, doe je in eerste instantie jezelf tekort omdat je iemand toestaat iets te doen, te willen, of te mogen terwijl je daar zelf anders overdenkt. Je doet de relatie ook tekort omdat je een schijn werkelijkheid creëert waardoor de ander denkt dat het goed gaat, terwijl dat voor jou niet zo is.

In gestalt kennen we de regel: je wordt wat je vermijdt.

Ik ga de confrontatie niet aan en houd me in. Ik krijg daarmee niet wat voor mij belangrijk is. Ik ben teleurgesteld of boos en tegelijkertijd ben ik mede verantwoordelijk voor dit gevoel.Door je angst niet aan te gaan blijf je angstig, door je boosheid in te houden zoekt die een weg in jou, door je verdriet niet te delen, blijf je alleen.

Wanneer het uitreiken stopt, stopt de relatie. Reiken jullie nog naar elkaar? Zo niet, denk dan eens na wat er nodig is die beweging weer mogelijk te maken.

Over volhouden

Ik stel voor te stoppen met praten. Met praten over zijn er altijd escapes. Door een experiment te doen, is de ervaring er en dat levert altijd iets op.


Dus geef ik mijn cliënt een paar boeken in handen en hij moet deze vasthouden. Ik leg er steeds meer op de stapel. Hij geeft geen krimp. Ik ga door en nader zijn gezicht. Hij past zijn houding aan maar houdt vol. “Ja hoor het gaat goed, het is vol te houden.”

Ik ga door, ik merk dat ik het benauwd krijg en ik voel me eigenlijk bezwaard. Van zijn kant komt nog steeds niets. Ik kan zijn gezicht niet meer zien. Ik vind mezelf bijna onmenselijk. Ik vraag of het nog te doen is of dat hij wellicht een neiging heeft? Ik hoor niet veel en leg er nog weer een boek bij. Dan hoor ik hem iets zeggen, maar ik kan het niet verstaan. Ik vraag hem het nogmaals te zeggen. Ik hoor een zachtjes: “Ik vind het niet zo fijn meer.” Ik vraag hem dit nogmaals te zeggen en dan harder. Ik laat hem dit nog een paar keer zeggen.

Tijdens het nabespreken komt hij erachter dat hij eigenlijk geen andere oplossingen wist dan dit maar vol te houden. Dat hij stop kon zeggen, of om hulp kon vragen of de stapel gewoon weg kon leggen, kwam niet in hem op. Helemaal niet.

De sessie hierna vertelt hij dat hij er veel mee bezig is geweest. Wil ik dit wel? Vroeg hij zich steeds af. En hij vertelde vol trots dat hij een ander had aangesproken op gedrag dat hem niet beviel.

We staan nog even stil bij de functie die dit volhouden voor hem al die tijd heeft gehad. Volhouden is een kwaliteit maar wanneer dit ten koste van jezelf gaat, kun je dat niet meer volhouden!

Over het kleine waarin het grote zichtbaar wordt

“Zullen we een experiment doen?” stel ik voor.

“Ja, dat is goed,” zegt hij.

Ik pak een vel papier en stiften. We gaan tegenover elkaar zitten.

“We gaan tekenen. Kies maar een kleur.”

Hij pakt een kleur en wacht op mijn volgende instructie. Daarna begint hij te tekenen. Wanneer hij stopt, kijkt hij mij aan. Ik kijk hem aan en dan begin ik. Ik merk nog niet veel aan hem. Uiterlijk onbewogen gaat hij verder met zijn stukje van de tekening. Hij stopt weer en ik teken op mijn beurt. Hij lacht wat en gaat op mijn uitnodiging weer verder. Ik zoek naar ongemak en verwarring; ik besluit de grens over te gaan; ik teken in zijn tekening. Ik zie hem van kleur verschieten, hij lacht wat meer en gaat verder met zijn tekening. Ik maak mijn figuren groter, terwijl ik over zijn tekening heen teken. Dan stopt hij en kijkt mij wat ontredderd aan.

Achteraf blijkt dat hij zich van het begin af aan ongemakkelijk voelde.

Ik heb dat niet in de gaten gehad. We verkennen wat er gebeurde. Hij geeft aan dat hij langzaam een verkramping kreeg in zijn onderbuik. Hij voelde zich raar worden, draaierig en licht in zijn hoofd.

Hij wilde niet dat ik in zijn tekening tekende maar zei niets, lichamelijk was hij zich al iets gewaar maar hij probeerde dat te verbergen. Ik had het niet meteen gezien en ging door op de ingeslagen weg.

Hij was verbijsterd over het effect. “Ik herken mezelf en kan bijna niet geloven dat je door zo’n klein experimentje zoveel over jezelf kunt ontdekken.”

De tekening hangt inmiddels in zijn huis.